In de weken die volgden negeerde ik Joost. Hij stond iedere nacht met dubbele tong op mijn voicemail. Of ik mijn comedycarrière nieuw leven in wilde blazen onder de vleugels van Brakkeman Agency. Hij klonk oprecht. Lam. Maar oprecht. Na een maand besloot ik Joost terug te bellen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het geld de hoofdreden was. In een vlaag van schijnroem had ik mijn baantje als receptionist opgezegd. Ik werd fulltime grappenmaker. Cleo, de Brits-Nederlandse eigenaresse van budgethotel Stay Or Go Away, reageerde teleurgesteld maar vond dat mijn passion een chance verdiende. De schat. Als beloning kropen we na mijn laatste nachtdienst nog één maal tegen elkaar aan in het eenpersoonsbed van een door de nazomer heet gestookte kamer 4. Dit alles zonder ramen. Terwijl de laatste zweetdruppels mijn bilnaad in gleden hoorde ik haar gekreun breken. Ze snikte zacht. “We gaan je missen. I will miss you.” Ik had mijn sokken nog aan.
“Joost?”, hoorde ik mijn stem zeggen door de krakende boxen van het jongerencentrum. Hij keek me aan, zijn ogen rolden naar boven, zijn oogleden klapten naar beneden als elastiekjes en met een klap sodemieterde Joost over de eerste drie rijen heen. Knockout. Toen hij weer bij kwam was de zaal al leeg. Ik had direct na Joost’ crash stotterend het einde van de show aangekondigd. De zaal reageerde met een luid gemor. Blijkbaar hadden ze liever gezien dat ik het half uur afmaakte terwijl mijn strontlamme manager al slapend de eerste drie rijen onder kwijlde. Betaald is betaald, zo leek het motto van jongerencentrum OJA. Tinus lag nog steeds gevouwen achterin het zaaltje. Hij had zich kostelijk vermaakt, zo melde hij terwijl hij de Toyota Yaris van mijn vader de snelweg op stuurde. “Weet je, ik vind het gewoon leuker wanneer het mis gaat. Natuurlijk ben ik blij voor je wanneer de zaal om je lacht maar ik ken die geintjes van je zo onderhand wel.” Het was een eerlijke vriend.
Hyperventilatie dreigde mijn lijf over te nemen. Hyperventilatie, dat was toch alleen voor wijven? Het koude zweet broeide mijn kop uit en mijn benen werden licht. De zaal keek me aan. Ik was een indringer. Een stadse infiltrant. Jongerencentrum OJA in Aarle-Rixtel was van hen. Wie was ik om te bepalen dat zij vanavond moesten gaan lachen. Trillerig stelde ik me voor. Of iedereen er zin in had. De zaal bromde. Dat was in ieder geval geen nee. Bij podiumkunsten draait alles om acceptatie. Mensen moeten weten dat je leuk bent, anders lachen ze niet. Dat zei Freek de Jonge ooit. Daar had ik op dat moment natuurlijk geen reet aan maar innerlijk schermen met dergelijke quotes bracht soms een soort van pseudo-rust in de gedachten. Dan maar een openingsgrap. Iets over een dinosaurus op een piano. Er kwam reactie. Maar niet een reactie waarop ik hoopte. “Vind jij dit zelf wel leuk?”, klonk er van achterin de zaal. Waarschijnlijk een door Jupiler aangedreven schreeuwlelijk. Waar het precies vandaan kwam kon ik niet goed zien. Een groepje jongens van formaatje sportschool begon te lachen. “Vind jij jezelf wel intelligent?”, probeerde ik in een wanhopige poging de zaal voor me te winnen. Een schamper lachsalvo rolde door het schuurtje. De onbekende dronkelap leek gekalmeerd want er kwam geen reactie. Volgende grap. Iets over de hangende tieten van mijn niet-bestaande vriendin. “Dus ik heb altijd een schone woonkamer.” De jongens lachten. De meisjes kwamen niet verder dan een afkeurend gesis. “Je moeder heeft pas hangende jopen.” Dezelfde stem. Een bekende stem. Dat kon toch niet zo zijn? “Homo!”, sprak de stem. Er ging een stoel om. Er gingen meer stoelen om. Vanaf het podium zag ik ademloos toe hoe de schreeuwlelijk zich een weg baande tussen de zittende bezoekers door. De zaal lachte zich stuk van ongemak. Ik wilde iets zeggen maar er kwam niets in me op. De luidruchtige onbekende stond nu zo’n vijf meter van het podium. Ik kon zijn gelaatstrekken onderscheiden. De ingevallen ogen. Het lange postuur. De fles in zijn hand. Het was Joost. Mijn impresario.
Intromuziek had Joost niet. “Te Amerikaans.” Dat kan wel zo wezen maar enige vorm van showmanship was meer dan welkom in dit tochtige schuurtje. Joost liep even naar achteren en sprak kort met de enige niet-jongere in de zaal. De opper-Brabander, blijkbaar. Toen de opper-Brabander goedkeurend knikte zwalkte Joost terug naar voren en zonder enig besef van de door mijn lijf razende verontwaardiging en zenuwen stapte Joost op het podium om mijn aankondiging te doen. Wat volgde was een tien minuten durende ode aan de persoon Mickey Haas. Of beter; een ode aan de Mickey Haas van Joost. Mijn impresario verzon wedstrijden die ik zogenaamd had gewonnen, noemde soapsterretjes waar ik in bed had gelegen en beschimpte zo’n beetje iedere collega-komiek ten gunste van mij. De verwachting duwde het plafond richting hemel. Zelfs na een vijf uur durende show van een jonglerende Madonna op de rug van de herrezen Elvis Presley zou dit publiek zich bestolen voelen. Mijn tenen tintelden terwijl Joost zijn gimmick ten toon spreidde. Zijn eeuwige rijmen. ”Dames en heren. Hij ruikt niet naar kaas. Hier is ‘ie Mickey Haas.”
Het jongerencentrum begon langzaam vol te lopen. Andere comedians had ik nog niet gespot. Misschien dat Joost niet met jongens uit het Amsterdamse comedycircuit werkte. Het podium bestond uit een aantal kratten Jupiler met een stuk sloophout er op. Er stond een microfoon inclusief standaard en de stoeltjes voor het publiek stonden netjes uitgelijnd voor het geïmproviseerde toneel. Zo erg kon dit allemaal niet worden, dacht ik terwijl ik het zoveelste flesje Spa naar achter gooide. “Gast! Check dit!”, Tinus stond gebiologeerd naar een muur te staren. Toen hij een stap opzij deed zag ik waar hij zo enthousiast over was. Aan de muur hing een afgebladerde poster. Toen ik de tekst las brak er een paniek uit in mijn kop. “Comedy Night in OJA – Een uur lang lachen met comedian Mickey Haas”. Een uur? Ik mocht van geluk spreken als ik de twintig minuten haalde. Mijn ogen speurden de ruimte af naar Joost. De eerste paar rijen waren in de tussentijd bezet door de eerste bezoekers. Achter in de zaal stroomde de rest van het publiek binnen. Het leken er ineens vijf keer zoveel dan eerder op het trapveldje. Boven de jeugd uit stak de grijze kruin van Joost. “Joost, een uur red ik niet. Kan je aan de MC vragen of hij langer kan spelen?” Hij schoot in de lach. “Waarom vraag je het hem zelf niet?” Bedeesd keek ik om me heen. Geen gezicht leek bekend. “Waar is ‘ie dan? En wie is het überhaupt?” Joost rechtte zijn rug, schraapte zijn verrookte strot en zei. “Ik. Ik ben de MC. En we beginnen over vijf minuten.”
Zo was Sanne van de een op de andere dag geen Sanne meer. Sanne was Tinus. Tinus was Sanne. En ze waren allebei mijn beste vriend. Tinus en Joost konden goed met elkaar opschieten. Mijn vriend leek te genieten van het merkwaardige gedrag van Joost. En Joost mocht graag slap tegen Tinus aan lullen. Inmiddels had Tinus zijn vierde satéstokje op en begon ik me af te vragen wie er nog meer zou spelen die avond. Een gebruikelijke comedyshow telde drie comedians. De opener; een routinier die een zaal vlug warm speelt. Het talent; een aspirant komiek met weinig minuten op de planken. Vervolgens kreeg de zaal zo’n tien minuten om bij te komen voordat de headliner de avond af maakte. Tussen de sets van de comedians babbelde de presentator, de MC, de boel aan elkaar. De headliner speelde vanzelfsprekend het langst; zo’n veertig minuten. Ik kon destijds maximaal een kwartier spelen. Meer materiaal had ik niet.
‘Tinus’ was niet de echte naam van mijn vriend. Tinus heette eigenlijk Sanne van Ties. Nu was Sanne geen slappe kerel. Sterker, Sanne had het lef van een Spartaan in oorlogstijd. Als ik vijfentwintig eurocent zou krijgen voor iedere keer dat hij mij onder een pak slaag uit hielp, stond ik niet voor honderdvijftig ekkies in een tochtig Brabants jongerencentrum. Sanne was niet zo snel bang te krijgen. Zijn grootste angst was dat zijn Zondaagse dansescapades uit zouden komen in ons geboortestadje Maassluis. Zijn familie zou hem verstoten richting de straten alwaar hij a la Mary Shelley’s Frankenstein zou worden gelyncht door een met fakkels en Bijbels bewapende meute. En Sanne was niet eens gay. Sanne hield gewoon van dansen. Maar zolang hij zijn geheim, het getrippel op het zwarte zeil van een semi-professionele dansstudio, kon beschermen durfde Sanne onbezorgd de wereld aan. Om zijn mondhoeken lag dan ook immer een sluimerende glimlach verborgen. Geen brede lach, geen arrogante spotgrijns maar een geruststellende, vreedzame rustglimlach. Op een dag, we telden beiden zo’n 16 lentes, vertelde Sanne me zijn geheim. Hij benadrukte dat niemand, zeker niet één van onze voetbalmaatjes, zijn geheim te weten mocht komen. Ik beloofde hem mijn stilzwijgen. Na de ontboezeming vroeg hij me een bijnaam voor hem te verzinnen. “Ik ben al een halve nicht door dat gedans en dan noemen mijn ouders me godverdomme ook nog eens Sanne.” Het was inderdaad alsof God het laatste ingrediënt dat zijn homoseksuele mens moest completeren even niet in de kast had toen hij Sanne in elkaar knutselde. Naast zijn voorliefde voor ballet had Sanne een formidabel gevoel voor mode. Helaas hield hij van vrouwen want hij had een verdomd goede nicht gemaakt. Algoed, Sanne moest dus een nieuwe naam. Ik schraapte plechtig mijn keel. “Sanne van Ties, vanaf vandaag heet je Tinus. Tinus van Ties.”
“Dit is Tinus. Tinus, dit is Joost. Mijn impressario.” Al kauwend op een stuk rubber dat voor varkensvlees door moest gaan schudde Tinus de hand van Joost. Tinus was mijn chauffeur en tevens beste vriend. Ik had geen rijbewijs, Tinus wel. Al vermoedde ik geregeld dat zelfs ik, met nog geen kilometer op de teller, beter zou rijden dan Tinus. Nee, Tinus’ rijkunst verdiende op z’n zachtst gezegd geen pluim. Wel boetes. Veel boetes. Het kwam geregeld voor dat ik na een optreden buiten de stad meer geld kwijt was dan ik verdiende. Ik nam het voor lief. Tinus was mijn beste vriend en bovenal een excellente reisgenoot. Tinus wist wanneer hij zijn bek moest houden en wanneer ik behoefte had aan een geruststellende babbel. Hij snapte mij. En ik deed mijn best hem te snappen. Tinus was een gesloten jongen. Een nuchtere vent. Een man zoals een man behoorde te zijn. Anderen zouden zo een boerenjongen in hem kunnen zien. Maar Tinus was geen boerenjongen. Tinus was de jongste telg uit houtzagers-familie Van Ties. Van hout moest hij overigens niks hebben; Tinus’ hart behoorde toe aan de wereld van de klassieke dans. In het weekend, wanneer hij niet op de houtzagerij hoefde te zijn, had Tinus dansles in Amsterdam. Hij sliep steevast iedere zaterdagavond bij mij. Thuis vertelde hij dan dat we stapten tot diep in de nacht. Op zondag zaten wij bij Ajax. Uit en thuis. Althans, dat dachten zijn ouders. In werkelijkheid plukte Tinus iedere zondagochtend om 7 uur ‘s ochtends zijn spitzen uit mijn kledingkast om vervolgens de gehele Zevende Dag dansend door te brengen. ‘s Avonds aten we samen Chinees en keken we Studio Sport. Hij moest natuurlijk wel weten hoeveel Ajax gespeeld had.
Een week later arriveerde mijn chauffeur Tinus en ik bij Open Jongerencentrum Aarle-Rixtel. Het schuurtje, duidelijk onderhevig geweest aan ontelbare tongmarathons en vingerontmaagdingen, was leeg. Een korte zoektocht verder ontdekte Tinus achter het jongerencentrum een trapveldje vol Brabantse jongens en meisjes. Allen boven de twee meter. Breed of lang. Of beiden. Terwijl Tinus gretig een aanval inzette op de barbecue vol salmonella-saté en hamburgers met de dichtheid van een Olympische discus, zocht ik Joost. Daar stond hij, net achter een serie speeltoestellen die rechtstreeks uit Tsjernobyl leken te komen. Het gebruikelijke kringetje ramptoeristen om hem heen luisterde aandachtig naar zijn monoloog. “Youp van ‘t Hek? Ja, hij is goed. Maar vanavond gaan jullie iets beters zien. Over een jaar speelt hij de Oudejaarsconference. Zonder twijfel. En dames, hij ziet er ook nog eens uit alsof Brad Pitt, George Clooney, al die flikkers van Grey’s Anatomy en Justin Bieber hun zaad in de blender hebben gegooid en daarmee Angelina Jolie hebben bezwangerd. Ah, daar zal je hem hebben.” Vol verwachting keerden de Onder-Rivierlingen zich om naar mij. Ik haalde mijn hand op Karvan Cevitam-achtige wijze door mijn haar in de hoop enigszins aan de zojuist geschetste premisse te voldoen. Het meest potige exemplaar keek me met een schuin hoofd aan. “Hé kijk nou, een homo.”
Volgens Joost, zijn magere hand nog steeds vastgenageld aan mijn schouder, was het de next frontier in comedyland. Volgens de rest was Aarle-Rixtel gewoon een Brabants gehucht waar zelfs Koos Alberts doorheen rent in een krappe vier minuten. Maar wat de rest vond interesseerde Joost over het algemeen niet. Joost interesseerde zich alleen in wijn, te jonge meisjes, oude nichten en het organiseren van schrale stand-up comedy shows. De twee collega-comedians waren inmiddels redelijk bijgekomen van de slappe lach toen één van hen me bemoedigend bij mijn andere schouder pakte. “Dat Aarle-Rixtel is best lachen. Heb er een keer gespeeld voor Joost en het is een mooie zaal met dito publiek”, zo verzekerde de huiskomiek van het Comedy Café mij. Zijn maat sloeg tijdens de daarop volgende lachbui zijn vuist blauw op de bar. Joost keek me afwachtend aan. “Ok, ik kom spelen.” Het kwam niet enthousiast mijn bek uit maar van binnen maakte mijn jonge podiumhart een huppeltje. Joost bestelde een wijntje voor zichzelf. Ik kreeg niks.

